Toveren met naald en draad

Advertentie 'Torners(sters) gezocht' van lompenhandel Rutimex N.V. in 'Het Vrije Volk', 16 november 1953. Via: delpher.

Wie naait, moet ook tornen. Vanouds moest iedere naaister en elke kleermaker kleren ook behendig uit elkaar kunnen halen: dat hoorde erbij. Het woord zelf is verwant aan het Duitse trennen. De Fransman zegt découdre, ontnaaien. In deze post wordt hergebruik van kleding - na toepassing van het tornmesje - besproken: een voorpublicatie uit het boek Tot op de draad.

Het mes(je) erin

Tornen is een frustrerende noodzaak als er bij het naaien iets mis is gegaan, maar een hoopvolle opmaat als oude kleren hun functie hebben overleefd terwijl de stof nog goed is. Dan kan er iets nieuws, iets anders van worden gemaakt: ‘van oud maak nieuw’ is een toverspreuk met een eerbiedwaardige geschiedenis. Een ouderwets geworden jas of jurk gooide niemand weg. Het kledingstuk werd veranderd, gekeerd, of de stof werd hergebruikt en de fournituren eveneens. Maar voor dat alles moest er dus worden getornd.

Tornhaak, 1900/1925, collectie Centraal Museum.
Tornhaak, 1900/1925, collectie Centraal Museum.

Je begint met het stiksel open te snijden, voorzichtig, om de stof niet te beschadigen, liefst met een tornmesje, een eeuwenoud, simpel maar ingenieus instrumentje. Dan de oude draadjes en pluisjes verwijderen, de oude vouwen plat persen, zo nodig het scheefgetrokken weefsel rechttrekken – alles om de oude stof klaar te maken voor hergebruik.

"Tornsters gevraagd"

Zelfs handelaren in oude kleren tornden, of lieten dat doen. In twintigste-eeuwse kranten staan wel eens kleine advertenties: tornsters gevraagd. In het Rotterdamsch Nieuwsblad van 3 juni 1913 werden twee bekwame lompensorteersters gezocht, en daarbij een tornster en een halfwas [leerling].

De adverteerder, Hendrik Verstappen, was duidelijk een lompenhandelaar; in zijn bedrijf werd kleding die nog goed was, kennelijk uit elkaar gehaald om de stof opnieuw te gebruiken. Natuurlijk werden bruikbare knopen en andere fournituren verwijderd om er iets anders mee te doen – de knopendoos van menige twintigste-eeuwse huisvrouw is een overblijfsel van die gewoonte.

In de Tweede Wereldoorlog werden opvallend vaak tornsters gezocht, nu ook door kleermakersbedrijven, als gevolg van de textielschaarste. Vaak ging het om thuiswerk, zoals veel kleermakerswerk dat vroeger was. Nog jaren na de oorlog zocht de bekende Schiedamse lompenhandel Rutimex via een dergelijke advertentie in Het Vrije Volk (16 november 1953) torners of tornsters, ‘hoog loon per kilo’. Daarna lijkt het beroep te zijn verdwenen, maar niet de firma Rutimex, want die bestaat nog steeds.

Zo min mogelijk naden

Naaiwerk was altijd passen en meten. Juist omdat de stof later misschien zou worden gebruikt voor iets anders, was het zaak om er zo min mogelijk in te knippen. Het is te zien aan de klassieke manier waarop een vrouwenonderhemd tot ver in de negentiende eeuw werd gemaakt. Zo’n hemd heeft meestal geen naden op de schouders, omdat het bestaat uit een enkele baan stof van vóór onderaan tot achter onderaan.

Wit linnen vrouwenhemd, gedragen in de Achterhoek, vóór 1948, collectie Nederlands Openluchtmuseum.
Wit linnen vrouwenhemd, gedragen in de Achterhoek, vóór 1948, collectie Nederlands Openluchtmuseum.

Eerst werden twee rechthoekige stukken voor de mouwen van het eind afgeknipt, dan werd de stof in de lengte dubbelgevouwen. In de vouw werd een halsopening geknipt, en omdat het hemd aan de open onderkant wijder moest zijn dan bij de schouders, werden bovenaan twee langgerekte driehoeken stof afgeknipt, die vanaf de taille omlaag in de zijnaden werden gezet. Het is ontroerend in zijn eenvoud, en het paste altijd, want hemden waren wijd.

Vrouwenjak van Indiase sits, circa 1725-1775, collectie Nederlands Openluchtmuseum. Het jak is samengesteld uit vele stukjes sits, waaronder enkele met een afwijkend dessin. Men ging zeer zuinig met stoffen om.
Vrouwenjak van Indiase sits, circa 1725-1775, collectie Nederlands Openluchtmuseum. Het jak is samengesteld uit vele stukjes sits, waaronder enkele met een afwijkend dessin. Men ging zeer zuinig met stoffen om.

Getailleerde vrouwenjakken met driekwart mouwen, zoals die in de achttiende eeuw algemeen werden gedragen (en in klederdrachten nog veel langer), hadden veel figuurnaden nodig om schouders, boezem en het middel mooi strak te omsluiten. Ze konden dus gemaakt worden van verschillende kleine stukken stof, en dat gebeurde ook veel, zeker als voor een daags jak resten stof van andere kledingstukken werden gebruikt.

Maar voor een deftig jak van mooie stof, bijvoorbeeld handbeschilderde sits (geglansde katoenen stof) uit India, die in de achttiende eeuw in Nederland hogelijk werd gewaardeerd en veel verhandeld, werd een andere oplossing gezocht: vouwen.

Ingenieus vouwwerk

In het Zeeuws Museum in Middelburg is het vouwen van een vrouwenjak uit één stuk stof – een kunst die op Walcheren tot in onze tijd in ere is gehouden – bestudeerd en vastgelegd op filmpjes die te vinden zijn via de website van het museum (of via YouTube) [red.].

In een rechthoekige lap wordt de opening voor de voorkant geknipt, in het midden eindigend in een gat voor de hals. Daarna wordt de voering er langs die opening tegenaan genaaid. Vervolgens wordt de stof, samen met de voering, op uitgekiende wijze hier en daar naar binnen gevouwen en weggenaaid. Het gebeurt altijd aan de hand van een ander, bestaand jak dat als voorbeeld dient. Zelfs de mouwtjes zitten vast aan die ene lap; ze worden verlengd met een strook stof die bij de sluiting op de borst is weggeknipt.

Een dergelijk jak kon in de loop der jaren altijd worden vergroot of ingenomen, naar behoefte.[1] Dat er zo min mogelijk werd geknipt in de kostbare stof is te zien aan traditionele kledingstukken overal ter wereld: kaftans, tunieken, poncho’s, kimono’s.

Ca­ra­co, 1820 - 1840, collectie Amsterdam Museum. Zeeuws jak van bedrukt katoen. De manier waarop het jak gevouwen is in plaats van geknipt en genaaid is typerend voor Zeeuwse kleding. De linkermouw mist een deel.
Ca­ra­co, 1820 - 1840, collectie Amsterdam Museum. Zeeuws jak van bedrukt katoen. De manier waarop het jak gevouwen is in plaats van geknipt en genaaid is typerend voor Zeeuwse kleding. De linkermouw mist een deel.

Hergebruik van Nederlandse bodem

Het ultieme herbruikbare kledingstuk in onze eigen streken is de rok. Vrouwenrokken hebben eeuwenlang bestaan uit grote, rechte stukken stof. Aan de bovenkant werden plooien of rimpels gemaakt en vastgezet, om het kledingstuk rond het middel te laten aansluiten.[2] Maar de ‘loze’ stof was dus niet weg, en daardoor kon zo’n rok na verloop van tijd weer open worden getornd, wat een groot, rechthoekig stuk stof opleverde.

Met een korte uitzondering voor de empire-mode rond 1800 bleven rokken zo gemaakt worden tot omstreeks 1890. Pas toen bevrijdden vrouwen zich definitief van de grote pakken stof rond hun taille, en kreeg de slanke lijn ruim baan.

Het lostornen van een wijde rok om die terug te toveren tot een royale lap stof was tot het eind van de negentiende eeuw des te makkelijker omdat japonnen meestal uit twee losse delen bestonden: een rok en een nauwsluitend lijf.

De herwonnen lap kon voor alle mogelijke doeleinden worden gebruikt – om de eetkamerstoelen mee te bekleden, of er jakjes voor de kinderen van te maken bijvoorbeeld. Maar men kon hem ook als geschenk aan de kerk geven; de katholieke kerk had altijd behoefte aan stof voor gewaden voor de eredienst, zoals kazuifels of dalmatieken voor priesters, banieren of kleden.

Rok, 1700 - 1799, collectie Amsterdam Museum. Deze doorgestikte, gewatteerde rok was oorspronkelijk geplooid.
Rok, 1700 - 1799, collectie Amsterdam Museum. Deze doorgestikte, gewatteerde rok was oorspronkelijk geplooid.

In de collectie van de oudkatholieke Sint-Gertrudiskathedraal in Utrecht is een koormantel bewaard gebleven van crèmekleurige zijde met fraaie ingeweven bloemenranken, afgezet met goudgalon met franjes. Dat de stof waarvan hij is gemaakt, ooit dienst heeft gedaan als deel van een damesjapon, is te zien aan een lijfje van dezelfde stof, dat bij de mantel is bewaard. Model en stof zijn die van een achttiende-eeuwse robe à l’anglaise, die aan de kerk zal zijn geschonken. In de mantel zijn zelfs de plooien van de rok nog herkenbaar.

René Lugtigheid, die onderzoek doet naar kerkelijke textiel, vertelt dat zulke ‘domeinwisselingen’ van wereldlijke naar religieuze kleding al sinds de middeleeuwen voorkomen en geen specifiek Nederlands verschijnsel zijn. Bijzonder is dat in dit geval het bewijs in de vorm van het bovenstuk eveneens bewaard is gebleven.[3]

Over het boek

Deze blogpost is een voorpublicatie uit het boek 'Tot op de draad. De vele levens van oude kleren' geschreven door Ileen Montijn en uitgegeven door Atlas Contact.

Ter illustratie van deze voorpublicatie maakte Modemuze een keus uit haar eigen digitale schatkamer. De originele illustraties in het boek zelf werden opgespoord en uitgekozen door Annemiek Overbeek.

'Tot op de draad' gaat over de zorg en de fantasie, het vakmanschap en de technieken die kwamen kijken bij de omgang met kleren. Ileen Montijn vertelt over de burgerij die status en chic wilde uitstralen, en de massa armen die afhankelijk was van liefdadigheid. In tijden van schaarste moest iedereen improviseren. In de jaren zestig ontdekten hippies de charmes van tweedehands; tegenwoordig wordt voor antieke haute couture goud geld betaald. 'Tot op de draad' gaat over jongensbroeken van oude meelzakken, een zijden jurk die honderd jaar is gedragen, een bebloed hemd dat een politiek relikwie werd.Verbazende verhalen over het gewoonste wat er is: oude kleren, vroeger en nu.

Deze voorpublicatie is tot stand gekomen in samenwerking tussen de auteur, Modemuze en uitgeverij Atlas Contact.

Bronverwijzingen


[1] Sylvia van Dam Merrett, ‘Geknipt of gevouwen? Jakken van de Walcherse streekdracht’, Jaarboek Kostuum 2010, pp. 30-39.

[2] Jacoba de Jonge, ‘De schaar in de stof? Vermaken van kleding in de 18de en 19de eeuw’, Jaarboek Kostuum 2002, pp. 5-13.

[3] Kennis in beeld, blz. 85-86.

Doe een aanvulling

Vul deze informatie aan of geef een reactie

5
 
Auteur
historica, schrijfster van 'Tot op de draad'
Datum
17 juli 2017