Leer in de Langstraat

 
Foto
28 juli 2020
Podcastmaker en redacteur bij Brabantserfgoed.nl

Er zijn weinig gebieden in Nederland zo verbonden met de leerlooierij en schoenmakerij als de Brabantse Langstraat. Enkele grote schoenenmerken zijn ook nu nog in of rond de Langstraat gevestigd, denk bijvoorbeeld aan Van Lier of Van Bommel, al is de daadwerkelijke fabricage van schoenen en leer in de loop van de twintigste eeuw vertrokken uit dit gebied. Hoe komt het dat de Langstraat zo synoniem is geworden met leerlooierij en schoenmakerij?
 

Natuurlijke bronnen voor leren schoenen

Tot aan het begin van de negentiende eeuw was veel schoenproductie en leerlooierij nog voor de lokale markt. Desalniettemin was Noord-Brabant in 1815 al de belangrijkste leerproducent van Nederland en telde de provincie in 1819 1.163 schoenmakers, met name gevestigd in de Langstraat. De reden voor deze concentratie ligt voor een groot deel in de fysieke omstandigheden.

Foto
Brui­ne le­ren in­stap­pers voor he­ren, Van Haren (Waalwijk), 1975-1985, collectie Museum Rotterdam

De Langstraat ligt op een overgangsgebied tussen de rivierklei die heel de noord- en noordwestgrens van Noord-Brabant kenmerkt en de zandgrond die ten zuiden daarvan te vinden is. De rivierklei is enorm geschikt om te gebruiken als weidegronden voor veeteelt. Waar dit in de omgeving van Oss in de negentiende eeuw leidde tot een bloeiende vleesverwerkende industrie, gaf de veeteelt de Langstraat een stabiele toestroom van huiden.

Zuiver water om te spoelen

Het geologische overgangsgebied van de Langstraat leverde de regio nog een nuttige grondstof op voor de leerindustrie: zuiver water. Niet alleen stroomden de riviertjes en beken van de Brabantse zandgronden dankzij de zwaartekracht als vanzelf naar de Maas en kwamen sommige daarbij de Langstraat tegen, ook zorgde de overgang van grondsoort van zand naar klei voor een barrière voor ondergrondse waterstromen.

Foto
Paar bruidsschoenen van leer en wit kant, (A.) van Bladel, luxe damesmaatwerkschoenen, Waalwijk), 1947-1949, collectie Museum Rotterdam

Het gevolg was dat de stroom deels naar boven werd geperst en daar als kwelwater aan de oppervlakte kwam. Dit proces filterde het water en leverde aan het oppervlak moerassige (veen)gebieden op zoals de Moerputten.

Dit zuivere water kon gebruikt worden bij het looiproces zelf en de stromende beekjes waren geschikt om ter conservering gezoute huiden aan het begin van het looiproces te ontdoen van het zout en vuil. Dit gebeurde door ze langdurig in een beek te hangen, zodat het zout weg spoelde en het rottingsproces van de huid op gang kwam.

Gemalen eikenschors om te looien

Uit de bossen op de zandgronden in de buurt van de Langstraat kwam een andere belangrijke grondstof voor de leerindustrie: run. Dit was gemalen eikenschors die veel tannine bevat, de chemische stof die het daadwerkelijke looien van de huiden veroorzaakt. Pas tegen het eind van de negentiende eeuw werd de eikenschors in Brabant langzaam vervangen door andere grondstoffen die hetzelfde effect hadden, maar vaak sneller werkten.

Foto
Paar brui­ne, le­ren hoc­key­schoe­nen met nop­pen, Marathon Waalwijk, ca. 1950, collectie Museum Rotterdam.

Goedkopere productie

De agrarisch arme zandgronden hebben mogelijk nog een andere bijdrage geleverd aan de groei van de leer- en schoenenindustrie in de Langstraat. Tot in het midden van de negentiende eeuw was looien vaak een nevenactiviteit bij het boerenbedrijf. Het was een manier om het inkomen aan te vullen.

Toen in het midden van de negentiende vervolgens de prijzen van huiden stegen en het lucratief werd om leerlooierij wel op een grotere schaal aan te pakken en loonarbeiders in dienst te nemen, hadden eeuwen van generaliteitsland ervoor gezorgd dat de lonen in Brabant laag lagen. Rond 1860 zaten dan ook ongeveer tweederde van alle leerlooierijen in Nederland in Noord-Brabant.

Bedrijfsvormen

Vanaf het eerste kwart van de negentiende was met het afschaffen van handelsbeperkingen tussen stad en platteland het aantal schoenmakers al sterk gegroeid. Bij de schaalvergroting van de leerlooierij ontstonden vervolgens in de Langstraat drie verschillende vormen van schoenmakersbedrijfjes.

Foto van blauw en turquoise pumps met bloemenprint
Twee paar pumps, ontworpen door Monique Schwartzenberg, gemaakt door schoenfabrikant Blok van Heyst (Waalwijk), 1960, collectie Kunstmuseum Den Haag

Allereerst waren er de zelfstandige schoenmakers die zelf hun huiden inkochten en thuis werkten, met het gezin. De productie van deze schoenmakers was bestemd voor de lokale markt. Soms was de schoenmakerij een bijverdienste bij een kleine, zelfvoorzienende, boerderij. Deze bedrijfsvorm bestond al ver voor de negentiende eeuw.

Een bedrijfsvorm die ontstond onder invloed van stijgende huidenprijzen was de onderneming met thuiswerkers. Hier was sprake van een arbeidsverdeling tussen een ‘patroon’ die grondstoffen inkocht en de eerste bewerkingen deed en thuiswerkers die de producten afwerkten, wederom vaak als bijverdienste.

Foto
Suède damesinstapschoenen, Whippet,(Piet Kerkhof) damesschoenen, Dongen, 1950-1960, collectie Museum Rotterdam

Tot slot was er de manufactuur, die nog het meeste lijkt op een schoenfabriek. Een patroon had hierbij geïnvesteerd in een werkplaats waar de arbeiders werkten en waar machines op spierkracht stonden. Stoomkracht zou immers nog tot het eind van de eeuw op zich laten wachten. Onder invloed van steeds meer manufacturen verdubbelde het huidengebruik in Nederland tussen 1860 en 1880.

Industrialisatie

Pas aan het uiterste eind van de negentiende vond de stoommachine haar weg naar de Langstraat: in 1896 werd in Waalwijk de eerste schoenfabriek op stoomkracht opgericht. De innovatie was onvermijdelijk geworden onder druk van buitenlandse producten. Daar was al eerder geïndustrialiseerd en buitenlandse schoenen waren bovendien van betere kwaliteit dan de Brabantse. Om hiertegen te concurreren probeerden Brabantse producenten door het gebruik van stoommachines zowel de productie te verhogen, als de kosten te drukken.

Het gevolg was dat in 1910 vier vijfde van de schoenenfabrieken in Nederland in Brabant te vinden waren. Waar nodig was de infrastructuur verbeterd om de fabrieken beter bereikbaar te maken, zoals door het zogenoemde ‘Halvezolenlijntje’ tussen ‘s-Hertogenbosch en Lage Zwaluwe. Deze infrastructurele verbetering vond in deze periode in heel Brabant plaats.

Verval

Desalniettemin bleef de leer- en schoenenindustrie onder druk staan. Dit leidde onder andere tot excessen in de winkelnering, een systeem dat al in de negentiende eeuw was ontstaan. Omdat een patroon voor grondstoffen naar een markt moest, was het praktisch om hem ook andere ‘boodschappen’ te laten doen voor de thuiswerkers en de kosten daarvan in te houden op hun loon.

In de stoomfabrieken werden vervolgens arbeiders deels uitbetaald in penningen die alleen te besteden waren in de voedingswarenwinkel van de fabriekseigenaar. Uiteraard tegen een flink hogere prijs dan de marktprijs.

Foto
Zwar­te le­ren werk­schoe­nen met verstevigde neus, Van Haren ("quality shoe") uit Waalwijk, 1960-1980, collectie Museum Rotterdam

Alleen het stilvallen van de wereldhandel, en dus de import van buitenlands leer en schoeisel, tijdens de Eerste Wereldoorlog zorgde voor een korte bloeiperiode. In de jaren daarna liep het aantal fabrieken gestaag terug tot nog slechts een twintigtal in 2001. De reputatie van de Langstraat als leercentrum bleef echter bestaan.

Deze blogpost is onderdeel van de serie Brabantse mode, een samenwerking tussen Modemuze en Brabants Erfgoed. Bekijk meer Brabantse mode op onze themapagina of op Brabantserfgoed.nl

Bronnen

Bekijk op Wikipedia ook de lijst met Nederlandse schoenfabrieken.

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie

Reactie