Koloniale mode: wederzijdse invloeden in Indo-Europese batik

Sarong door C.J. von Franquemont, midden 1800. (Zie ook Gittinger, 1979, no. 94). Collectie Nationaal Museum van Wereldculturen.

Dit is een topstuk in de toch wel wereldvermaarde textielcollectie van het Nationaal Museum van Wereldculturen, sinds 2014 bestaande uit het Tropenmuseum in Amsterdam, het Museum Volkenkunde in Leiden en het Afrika Museum in Berg en Dal. De sarong, gemaakt in de batikkerij van Carolina von Franquemont, vertelt het verhaal van textielhandel tussen Europa en Indonesië en de bijzondere rol die vrouwen in de uitwisseling in textiel hebben gespeeld.

Opbouw van een Indonesische sarong

De kokerrok bestaat uit een lange rechthoekige doek, die aan de zelfkant is vastgenaaid. Een Indonesische sarong is te herkennen aan de indeling van de doek. Er is altijd een verticale rechthoek, de ‘kepala’ genaamd, wat hoofd betekent, die links op de voorkant van de heup gedragen wordt. De rest van de doek heet het lichaam, ‘badan’. De kepala bestaat, afhankelijk van welke culturele groep de sarong afkomstig is (of voor wie gemaakt), weer uit vaste elementen. Zo zijn er vaak tumpal, twee verticale rijen driehoeken, die het vrije, maar wel symmetrische, patroon ertussen begrenzen.

Batiks herkennen

De motieven zijn gebatikt. Batik is een uitsparingstechniek, waarbij het te verven patroon met was op de (meestal katoenen) doek wordt getekend. In het verfbad blijft dit deel ongeverfd. Door herhaling van deze uitsparing middels was, kunnen verschillende motieven en kleuren samengevoegd worden tot een complex geheel. De was wordt na het verven weer uit de doek gekookt en zorgt voor een bijzondere geur aan de kleding, die je ook nog ruikt in de museumcollectie.

Een Europese familie bezoekt een batikkerij in Kebayoran. Jakarta, 1949. Collectie Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen.
Een Europese familie bezoekt een batikkerij in Kebayoran. Jakarta, 1949. Collectie Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen.

Deze sarong met een nootmuskaatboom, een Europees motief, werd ergens tussen 1840 en 1867 gebatikt. In die periode opende Carolina Josephina von Franquemont, de eerste Indo-Europese ondernemer die bekend zou worden, haar batikkerij. Waar de wikkelrok precies werd gemaakt is niet bekend, maar het zal of in Surabaya, of in Semarang op Java in Indonesië zijn geweest, waar Von Franquemont haar werkplaatsen had. In die batikkerijen werkten Indonesische vrouwen met de canting, een soort grote vulpen, aan de motieven. Mannen batikten met caps, stempels en kookten en verfden de doeken.

Aan de patronen en kleuren kun je zien waar een batik vandaan komt, of voor wie de doek bestemd was. Specifieke bloemmotieven, of andere patronen die niet voorkwamen in het inheemse palet, werden gemaakt voor (Indo-)Europeanen, andere voor Indo-Chinese klanten. De vorstenhoven van Java stonden bekend om hun voorliefde voor geometrische patronen, die vaak verboden waren voor het gewone volk.

Vrouwen in de textielhandel

Toen de Europeanen vanaf de zestiende eeuw in Indonesië kwamen, snapten ze al snel dat textiel en kleding big business waren. De textielhandel was een van de meest lucratieve ondernemingen van de VOC, naast natuurlijk specerijen zoals de nootmuskaat. De prachtige kleding van de vorstenhoven van Java, de voor de Europeanen onbekende weef-, borduur-, en verftechnieken van de hele archipel, spraken tot de verbeelding en werden onderdeel van een levendige handel tussen Indonesië en Europa. Omdat het maken van batiks sterk afhankelijk was van de import van katoen, was de textielbusiness veel toegankelijker voor rijke buitenlanders, waaronder behalve Nederlanders ook Chinezen en Arabieren.[1]

Twee vrouwen, de linker in een Europese bébé, de andere in lokale sarong en kebaya, Nederlands-Indië, rond 1900. Vermoedelijk is de vrouw in sarong-kebaya al langer in de kolonie (Wils, 1996:68).
Twee vrouwen, de linker in een Europese bébé, de andere in lokale sarong en kebaya, Nederlands-Indië, rond 1900. Vermoedelijk is de vrouw in sarong-kebaya al langer in de kolonie (Wils, 1996:68).

Vanaf 1870 mochten echtgenotes vanuit Nederland naar Indonesië overkomen, en het duurde niet lang voordat zij zich de lokale kleding toe-eigenden. In plaats van de vele lagen die zij gewend waren te dragen, kleedden ze zich voortaan in sarong en kebaya, de lokale vrouwenmode, of in een Europese bébé, een wijdvallende witte jurk. Ook werden zij al snel batik professionals: niet zozeer het vakmanschap zelf, als wel het bedrijven van een winstgevende onderneming was niet vreemd onder vrouwen in de late koloniale tijd.

De bébé’s die bekend zijn uit Indonesië, zien er anders uit dan het exemplaar van het Centraal Museum (zie afbeelding). De Indische bébés hebben een pas van ruches over schouders en borst en zijn langer. Mogelijk is de Indische vorm een aanpassing aan de Europese. Vrouwen en meisjes droegen de bébé voor allerlei gelegenheden, van werk tot theater, tot het kledingstuk na korte tijd weer uit de mode raakte. De bébé was in ieder geval goedkoper en gemakkelijker dan sarong-kebaya.[1] Wie hier iets meer over kan vertellen, ik houd me aanbevolen!

Opkomst van de Indo-Europese batiks

Vanaf het midden van de 19de eeuw schoten de Indische batikkerijen als paddenstoelen uit de grond. Zoals de al bestaande inheemse batikkerijen, ontwikkelden deze bedrijven een eigen genre en specialiteit. Ook werden doeken voortaan gesigneerd. In Nederland werden proeven gedaan naar verfstoffen en technieken, om zo de kwaliteit van batiks te verbeteren. Daarnaast liet een aantal kunstenaars zich door de techniek inspireren om te komen tot vernieuwend werk binnen de Nieuwe Kunst-beweging van rond het begin van de twintigste eeuw (o.a. Chris Lebeau, Lion Cachet en Johan Thorn Prikker).

Zogenaamde apendoek door Chris Lebeau, 1904, Collectie Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen.
Zogenaamde apendoek door Chris Lebeau, 1904, Collectie Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen.

Carolina Josephina von Franquemont, was er vroeg bij. In 1817 in Batavia geboren uit Indo-Europese ouders, verhuisde ze met de rest van haar familie in 1835 naar Surabaya, waar ze vijf jaar later de eerste Indo-Europese batikkerij op Java begon. Franquemont doeken, bekend geworden als kain Prankemon, tonen in hun tekening en vorm combinaties van verschillende culturen. De nootmuskaatboom was geen typisch lokaal motief, de bloemetjes op de tumpal en ertussenin ook niet. Ook de maatvoering was anders, Europese vrouwen waren groter dan de Indonesische. Haar meest opvallende en unieke kenmerk was de blauwgroene kleur, daarvoor onbekend in batiks. Wel imiteerden velen haar, door de kleur na te bootsen.

Sarong en kebaya in een Nederlandse straat, ca. 1950. Collectie Nationaal Museum van Wereldculturen.
Sarong en kebaya in een Nederlandse straat, ca. 1950. Collectie Nationaal Museum van Wereldculturen.

Zij die in Indonesië hadden gewoond, toentertijd ook wel Indisch gasten genoemd, brachten doeken na hun dienst of na de Nederlandse tijd (tot ca. 1949) in Indonesië mee naar huis. Als geschenk voor familie, of als souvenir ter herinnering aan hun tijd in Indonesië. Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1945, droegen Indonesische en Indische (re)migranten batiks als uiting van hun Indonesische of Indische identiteit.

Met batiks wordt ook vandaag nog steeds duidelijk een affiniteit met Indonesië aangeduid. In museale verzamelgeschiedenissen spelen ze een grote rol naast krissen en wajangpoppen: objecten die door hun verzamelwaarde en emotionele betekenis zijn uitgegroeid tot kenmerkende uitingen van de materiele cultuur van Indonesië, terwijl ze eerder de stereotype blik van de Nederlanders en andere Europeanen op de Indonesische culturen weergeven.

Carolina Josephina von Franquemont zou haar batiks nooit zelf naar Nederland brengen. Ze zou niet lang genoeg leven om haar geheimen van het batikken en verven te delen. In juni 1867 verdween ze met batikkerij en al tijdens een aardbeving.[1]

Met dank aan Pim westerkamp (Indonesië conservator)

Literatuur

Gittinger, Mattiebelle, Splendid Symbols: Textiles and Traditions. 1990.

Heringa, Rens. Fabric of Enchantment. Batik from the North Coast of Java. Museum Associates, Los Angeles, 1996.

Wils, Esther (ed.), Tropenecht. Indische en Europese kleding in Nederlands-Indië. Stichting Tong Tong, Den Haag, 1996.

Veldhuisen, Harmen, Batik Belanda. 1840-1940. European Influence in Batik from Java. 1993.

 

[1] Veldhuisen, 1993.


[1] Wils, 1996, p. 69.


[1] Gittinger, 1979, p. 131.

 

Aanvullingen

Interessant artikel. Zie ook batik van Nederlandse ontwerpers (zoals Ragnild d' Ailly, Arnold Pijpers en Chris Lebeau) in de collectie van het TextielMuseum . Te vinden in Modemuze: https://www.modemuze.nl/collecties?trefwoord=batik&van=All&tot=All&f[0]=...

Bedankt voor de aanvulling! We hebben de suggesties ook toegevoegd als trefwoorden bij het blog (zie links bovenaan).

Het boek is van H.C. Veldhuisen, niet Veldhuizen ;-)

"Al snel storten de nieuwkomers zich op het modebedrijf", het waren zeker geen nieuwkomers die een batikkerij begonnen in de 2de helft van de 19de eeuw. De Indo-Europese (Indische) zusters Eliza en Tine van Zuylen, de dames Coenraad (uit Pacitan) en de dames Toorop waren in Indië geboren, hun voorouders waren vermengd met inheems oosters bloed. Zo ook Lien Metzelaar en mej. A. Wollweber. Mevrouw Simonet was Chinees (eigen naam was Tan Ien Nio) en getrouwd met de Indo-Europeaan Simonet, hun dochter was batikonderneemster Jacqueline Charlotte (Jackie) van Ardenne-Simonet. Maria Carp, ook uit Pekalongan, was een Javaanse getrouwd met plantage administrateur W.E.Th. Carp. (zie H.C. Veldhuisen).

Hartelijk dank voor deze waardevolle aanvullingen! We hebben de naam van H.C. Veldhuisen aangepast.

Natuurlijk heeft u gelijk: de Indo-Europese vrouwen hadden al een veel langere geschiedenis in Indonesië. Veel dank voor uw opmerking, ik zal het nuanceren in de tekst. Daan van Dartel

Merci Daan van Dartel! Trouwens, ik heb een goed voorbeeld van een bébé in de tropen, gedragen door een Indisch meisje op een foto met mijn grootvader als baby circa 1911, kan ik je deze foto ook sturen?

In overleg met Daan van Dartel geven wij graag ons emailadres door: [email protected]. We kijken uit naar uw bericht!

Doe een aanvulling

Vul deze informatie aan of geef een reactie

4
9
Auteur
Conservator populaire cultuur en mode Nationaal Museum van Wereldculturen
Datum
28 april 2016