Japonnen in de achttiende eeuw

7 okt 2015
Judith van Amelsvoort
conservator mode en kostuum Amsterdam Museum

Gedurende de achttiende eeuw zijn er verschillende soorten japonnen in de mode. Een aantal van hen maken een bijzondere ontwikkeling door van informele huiskleding naar hofjapon. In grote lijnen bestond vrouwenkleding uit open en gesloten japonnen. De meest voorkomende japon was het open model, dat bestond uit een lijfje en overkleed, maar omdat de rok aan de voorzijde open was zag men de onderrok. Ook het lijfje was in de eerste helft van de 18de eeuw open, deze werd gesloten met een driehoekige borstlap of borststuk, ook wel stomacher (En.) of pièce d'estomac (Fr.) genoemd. In de achttiende eeuw volgden stijlveranderingen in het uiterlijk van de japonnen elkaar snel op.

Aan het begin van de 18e eeuw werd de mantua of manteau gedragen als hofkleding en als bijzondere gelegenheidskleding, zoals bruidskleding. Van origine was de mantua een informele, loszittende negligé-japon, die al in de jaren 1670 populair was. Vroege voorbeelden laten zien hoe de japon wijde rugplooien heeft en een sleep die gedeeltelijk is opgenomen aan de zijkanten, maar nog wel op de grond ligt. Langzaamaan werd de mantua een formele japon, gebruikelijk aan bijna elk Europees hof, waaronder het Engelse en Franse hof.

De mantua bestond uit een overkleed waarvan het rokgedeelte aan de voorkant open was en de twee panden naar achteren werden gedrapeerd. Hierdoor was de fraaie onderrok zichtbaar. De versierde onderrok was voorzien van falbalas (horizontale stroken kant of stof) en had soms een andere kleur dan het overkleed. Het lijfje was getailleerd, puntig en open aan de voorzijde. Een borstlap vulde het gat op tussen de twee voorpanden van het japonlijfje. De borstlap was driehoekig van vorm, verstevigd en versierd met borduurwerk of linten. Één van de meest populaire decoraties was een rij van strikken, die naar beneden toe kleiner werden, ook wel bekend als échelles. De borstlap werd op het lijfje gespeld, aan de binnenzijde geregen of had mooie rijgveters aan de buitenkant. De strakke halflange mouwen werden voorzien van engageantes (stroken kant).

De transformatie van mantua naar robe sac

Als reactie op de stijve hofmodes van Lodewijk XIV transformeert de mantua zich, na de dood van Lodewijk XIV in 1715, tot de informele robe sac, ook wel sacque, robe volante, adrienne, contouche of robe battante genoemd. De robe sac is een loshangende japon zonder taillenaad, met plooien aan de voor- en achterzijde van de japon. Hij werd gedragen met de middenvoornaad net onder het middel dichtgenaaid of helemaal open waardoor de onderrok te zien was. De robe sac heeft losse wijd uitlopende mouwen, eindigend in een brede manchet die soms werd verstevigd. In de jaren 1720 waren met name pagodemouwen, eindigend in manchetten met horizontale plooien, in de mode.

In de jaren 1730 werden de plooien op de rug geleidelijk aan gestandaardiseerd tot twee platte stolpplooien, die vanaf de schouders uitwaaieren tot op de grond. Op de schilderijen van de Franse kunstenaar Jean Antoine Watteau (1684 -1721) is de achterkant van de robe sac goed te zien. Deze losse plooien op de rug, die zo kenmerkend zijn voor deze stijl, worden daarom ook wel pli Watteau of Watteauplooien genoemd. Maar als de meest modieuze japon van deze periode, werd hij door meerdere kunstenaars vastgelegd.

De robe sac verandert in de robe à la Française 

De robe sac, die in Nederland sak werd genoemd, paste zich rond 1730 aan bij de modieuze brede rokken, gevormd door getailleerde zijnaden met uitspringende heupplooien. Hieruit kwam de robe à la Française voort. De dubbele platte rugplooien bleven, maar dienden nu enkel nog als versiering. Door een rijgsel in de voering aan te trekken stond de geplooide bovenstof uit en kwam deze niet onder druk te staan. Het nauwsluitende lijfje had driekwartmouwen met engageantes. De rok viel aan de voorkant open over een onderrok. Uit zuinigheid werd de onderrok soms vervangen door een tablier (schort of los rokpand). De robe à la Française werd in Nederland ook in de tweede helft van de 18de eeuw sak genoemd.

De hofjapon, de grande parure, kon een omvang bereiken van ruim twee meter breed en werd versierd met strikken, bloemen, borduurwerk, linten, parels en edelstenen. Tot aan het begin van de Franse revolutie in 1789 werd deze japon nog gedragen aan het Franse hof, bij ceremoniële gebeurtenissen en in het theater.

Frankrijk maakt zich de robe à l’Anglaise eigen

In Frankrijk droegen de dames vanaf het begin van de 18de eeuw de robe à la Française. Engelse dames droegen daarentegen liever een in de rug aansluitende japon. In de jaren 1770 maakten de Franse kleermakers zich meester over deze japonvorm, waarbij de snit iets werd aangepast en de japon de naam robe à l’Anglaise kreeg. Pas nadat deze robe door Frankrijk werd overgenomen en in Franse modeprenten werd getoond, werd hij in heel Europa populair. In de getailleerde rug van het lijfje werden soms baleinen aangebracht. De rok werd geplooid aangezet; afhankelijk van de mode op dat moment had de robe à l’Anglaise wel of geen sleepje. Een voorloper van de robe à l’Anglaise was de robe ajustée, hierbij waren de rugplooien vastgenaaid waardoor het lijfje toch nauw aansloot.

De introductie van de robe à la polonaise

Het open overkleed van 18de eeuwse japonnen vormde soms een struikelblok. Bij de robe retroussée trok een dame de zoompunten van haar overkleed door de heupsplitten in de zijnaden naar buiten. Toen het overkleed omstreeks 1772 nog langer werd ontstond er een nieuwe mode, de robe à la polonaise. De robe werd in de jaren 1776-1787 veelvuldig gedragen en bestond uit een lang overkleed, waarvan de rok aan de voorzijde open was, met bijbehorende onderrok. Het lijfje kon zowel à la Française als à l’Anglaise zijn gesneden.

De draagster van de robe à la polonaise kon door middel van koordjes het overkleed ophalen of neerlaten. Aan de binnenkant is een dun koordje in de taille genaaid, via speciale openingen in de stof kon deze buiten om de zoom heen worden gehaald om aan de binnenkant te worden bevestigd met een haak en oog. Of er kon een koordje van binnenuit om de zoom worden geleid en aan de buitenkant worden vastgemaakt met een lus om een knoop. De robe à la polonaise kon dus op twee manieren worden gedragen: ‘gewoon’ met een sleepje of à la polonaise waarbij het overkleed aan de achterkant op twee punten is opgenomen. Bij de drie draperieën die dan ontstaan was het de bedoeling dat die van opzij langer waren dan de achterste. De robe à la polonaise had meestal ‘manches en sabot’ : halflange mouwen met een gerimpeld ‘manchet’.

Een keur aan modes volgt

Na 1775 volgden de modes elkaar snel op, zo verschenen er diverse ‘oosterse’ japonnen die onder andere waren geïnspireerd op het theater: robe à la levite, robe à la turque, robe à la levantine, robe à la sultane en de circassienne.

De chemise à la reine of robe en chemise werd door Marie Antoinette (1755-1793) geïntroduceerd in de vroege jaren 1780. In contrast met de contemporaine hofkleding was de japon licht, eenvoudig en soepel. De chemise à la reine bestond uit meerdere lagen mousseline, die losjes waren gedrapeerd, met rond het middel een lint.

 

Beeldredctie: Anneclaire van Veelen; tekst met dank aan Marit Eisses.

 

Literatuur:

En Vogue! Mode uit Frankrijk en Nederland in de 18de eeuw, Gemeentemuseum Den Haag, Zwolle 2005.

Aileen Ribeiro, Dress in Eighteenth Century Europe 1715-1780, 1985.

M.A. Ghering-van Ierlant, Vrouwenmode in Prent, modeprenten 1780-1930, Amsterdam 2007.

François Boucher, Histoire du Costume, Paris, 1965.

Ietse Meij, Haute Couture & Prêt-à-porter; Mode 1750-2000, Gemeentemuseum Den Haag, 1998.

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie

Reactie