Zachte wol en harde boorden: Zomerse mannenmode tijdens de Belle Époque

 
12 juli 2018
Meestercoupeur, gespecialiseerd in het vervaardigen van historische (heren)kleding.

In tegenstelling tot wat de soms ietwat kil lijkende atmosfeer in oude foto’s ons laat denken, was het vroeger ook gewoon warm in de zomer. Echter afgaande op diezelfde foto’s zijn de zomerse en winterse drachten op het eerste gezicht niet van elkaar te onderscheiden. Maar hoe kan dit? Waren de heren vroeger ongevoelig voor warmte? Waren de zomers soms minder warm? Of maakte de temperatuur ze gewoon niet uit?

Hoe moeilijk het tegenwoordig ook te bevatten is, gedurende de Belle Époque (ca. 1817-1914) werd etiquette er met de paplepel ingegoten. En dat is naast de gebruikelijke sociale vaardigheden, zoals voor dames de hoed afnemen of nooit een dame zonder handschoenen de hand toereiken, ook te zien in het kleedgedrag. Etiquette hield immers nooit op en kende geen pauzes. 

Driedelig kostuum en winterstof

De basis van de (stadse) herenmode was, ongeacht het seizoen, iets driedeligs. Of we het nu hebben over een driedelig kostuum met ‘veston’ (een korte rechte mannenjas zonder naad), een kostuum met ‘jacquet’ of een kostuum met een ‘geklede jas’ (welke in deze periode zijn laatste hoogtepunt beleefde). Het gros van de mensen op straat liepen in een driedelig kostuum met veston; een kostuum dat veel door de middenklasse overdag naar werk of naar een club werd gedragen. Een donker kostuum met jacquet of geklede jas was meer weggelegd voor leden van de hogere klasse met dito functie in de maatschappij.

De kostuums die men in de winter droeg werden door velen ook gewoon in de zomer gedragen. De winters waren destijds nog zeer koud, en huizen waren nog lang niet voorzien van centrale verwarming. Kleding was dan ook van zware en vooral dikke wollen stof gemaakt. Tegenwoordig draagt men veelal een vest bij een kostuum omdat dat mooi staat. Destijds was het met name een praktische overweging; het was een extra isolerende laag met zakken erin. En buiten dat was het geenszins toegestaan zonder vest in het openbaar te verschijnen omdat anders het ondergoed zichtbaar zou zijn! Want, inderdaad, overhemden werden nog gewoon als ondergoed beschouwd. En dat dien je immers voor jezelf te houden. Luchtigheid was zo dus geen optie. Of toch wel?

Advertentie Nederlandse zomermode in 1914 (vlak voor WOI, het einde van het Belle Époque)

Zomerse stoffen waren voor de reguliere veston-kostuums ruimschoots in omloop. Met zomerse stoffen bedoelen we nu vooral stoffen in lichte kleuren. En ook al waren stoffen als katoen, linnen zeker in omloop (zoals waarschijnlijk bij het bovenstaande witte kostuum het geval is) de zomerstof bij uitstek bleef wollen flannel. Jawel, dezelfde stof waar men nu warme winterse kostuums van maakt. Daarnaast waren natuurlijk ook voor de zomer lichter kwaliteiten wol beschikbaar. Maar laten we ons daar zeker niet op verkijken: de zomerse wol uit die tijd kunnen we tegenwoordig als winterstof beschouwen!

Geklede jas (en let op de extreem glanzende zijdepluchen hoed!), midden: Jacquet. Rechts: Veston (zowel een- als tweerijig)
                                    

Boater, matelot of canotier?

Zonder hoofddeksel op straat verschijnen staat gelijk aan tegenwoordig zonder broek in het openbaar rondlopen. De werkende klasse droeg petten, de middenklasse kon kiezen tussen een pet of een vilten hoed (de bolhoed of de iets formeler homburg), bij een jacquet of geklede jas hoorde een hoge hoed van zijde, pluche of beverhaarvilt. Geloof het of niet, maar deze hoeden werden in de zomer ook gewoon nog gedragen, zij het veelal in lichtere kleuren zoals lichtgrijs en verschillende bruintinten.

Echter, in de zomerse maanden verschijnt er een hoofddeksel dat in die tijd razend populair is. Men kent het als een ‘boater’, een ‘matelot’, ‘canotier’, ‘basher’, ‘cady’, ‘skimmer’. Hoewel het allemaal dezelfde hoed aanduid; de welbekende en voor deze tijd bijna archetypische hoed met platte cirkelvormige rand en een hoge kroon, gemaakt van stro. Destijds was dit hét kledingstuk dat tevoorschijn kwam bij het door breken van de eerste zonnestralen. Helaas had de hogere klasse het minder makkelijk in hun keuze met hoeden. Deze overwegend sportieve hoed kon volgens etiquette (en overigens ook esthetisch) niet gedragen worden bij jacquets en geklede jassen.

Vilten homburg in lichtgekleurd vilt, begin 20ste eeuw. 

Donker of licht, warm of koud

Wat betreft het kleurgebruik bleef het voor de hogere klasse in hun jacquets en geklede jassen moeilijk. Kleding voor hun niveau van werken diende donker te zijn, bij voorkeur zwart of antraciet. In het beste geval moesten ze het doen met lichtere stoffen, in het ergste geval in hun winterse goed. Dat wil echter niet zeggen dat iedere persoon zich destijds de moord stikte in zijn kleding. Men was van jongs af aan niet anders gewend dan dit soort warme kleding te dragen. Zodoende speelt gewenning een zeer grote rol binnen de warmteperceptie tijdens het dragen van dit soort kleding in de warmere maanden.

Hiermee is het verhaal echter verre van voltooid. Het leven speelde zich niet alleen maar af in de stad, waar deze formele wijze van kleden van toepassing was. Er was uiteraard ook sportieve mode. ‘Sportief’ wil nu niet per definitie zeggen dat dit kleding was om in te sporten; sportief staat in dit geval synoniem aan ‘informeel’. Maar dit is nog lang niet te vergelijken met ons huidige idee van informaliteit.

Nautische vrijetijdskleding: witte broek en schoenen maken het enige verschil (evenals de heer links, die een riem draagt en geen vest...), Cricketspeler, omstreeks 1900

Australisch cricketteam, omstreeks de eeuwenwisseling. Let op de gestreepte jasjes en de gestreepte pet in het midden. 

Britse tennisspelers in de 19de eeuw. Let op de gestreepte riem en tweekleurige schoenen rechts. 

Sportief en informeel

Sportverenigingen brachten ook revoluties teweeg binnen de zomerse sportieve mode. Buitensporten zoals tennis, cricket en roeien konden het best worden uitgevoerd in de warmere maanden. Uiteraard moest duidelijk zichtbaar zijn wie bij welke vereniging hoorde, en dat werd gedaan middels het tonen van de kleuren van de clubs. Deze kwamen terug in de dassen, de hoofddeksels, de truien en de jasjes (ook wel blazers genoemd).

Zoals de afbeeldingen laten zien werden deze kledingstukken altijd gecombineerd met een witte flannel broek en een wit sporthemd, soms zelfs nog met gesteven losse boord. Schoenen van wit canvas, linnen of buckskin waren hierbij ook de norm. Voor sportieve en informele gelegenheden waren deze jasjes ook buiten het verenigingsverband zeer populair, zij het tijdens recreatieve sport of gewoon een vrije dag. Overigens was sport een van de weinige momenten waarop het tonen van het overhemd toegestaan was, daar blazers lichtelijke restrictie gaven en wollen truien een tikkeltje warm konden zijn.

Advertentie uit de voorjaarscollectie van de firma ‘De Koning van Zweden; , 1901. (Sla acht op de noot dat alle kostuums met vest worden geleverd. ; Advertentie van de firma ‘J. S. J. Dietsz’, 1894. (Geloof het of niet, maar dit is voor de zomer!)

Kleden naar de kolonie

Buiten het dagelijks leven in eigen land was er in deze tijd ook nog een thuisland in het buitenland; tijdens de Belle Époque waren de koloniën niet meer dan gewoon. Hier had men nagenoeg altijd te maken met tropische temperaturen, en daar moest natuurlijk naar gekleed worden. Hier kan veel tekst en uitleg bij, maar het in 1982 uitgegeven artikel van De Koning van Zweden, een Nederlands kledingbedrijf, geeft voldoende uitleg over het ‘Model eener complete uitrusting’ van een koloniale heer dat dit bedrijf destijds voorschreef. Een advertentie die het lezen zeer de moeite waard is. Let vooral op de prijzen, en houd in acht dat ʄ1,- rond de eeuwwisseling tegenwoordig gelijk staat aan €13,31, ofwel ʄ29,33!

Zoals de advertentie illustreert waren de heren over het algemeen zeer goed uitgerust tegen de koloniale hitte. De meest populaire stof was katoen, die qua gevoel en gewicht zeer sterk doet denken aan het huidige denim. Maar laten we ons zeker niet vergissen in de luchtigheid van de kleding. De heren droegen alsnog drie à vier lagen kleding, inclusief gesteven boorden. Het was niet ongebruikelijk dat de heren meerdere malen per dag een vers gesteven toetoep aantrokken na excessieve transpiratie!

Een heer gehuld in toetoep. Sumatra, omstreeks 1910.

Chapeau met toetoep

Echter de advertentie laat ook zien dat het bezitten van een donker kostuum, smoking en rokkostuum met chapeau claque (hoge hoed) nog zeer belangrijk was. Voor de formele gelegenheden was een jas toetoep gewoonweg niet acceptabel. Let in de volgende advertentie op de bovenstaande aanduiding dat aangegeven dient te worden of het kledingstuk in lichte of zware kwaliteit wol dient te worden gemaakt, afhankelijk van in welk werelddeel het gedragen gaat worden.

De Koning van Zweden, 1908

Desondanks waren reguliere veston-kostuums vervaardigd uit linnen of katoen ook een acceptabele koloniale dracht. En zoals reeds bekend luidt het begin van de Eerste Wereldoorlog het einde van de Belle Èpoque aan, en komt er na vier jaar van ongekende industriële verwoesting ruimte voor een nieuwe blik op de wereld: een nieuwe tijd met nieuwe mode. Etiquette wordt afgezwakt, met meer ruimte voor informaliteit en minder strakke navolging van regels. Van de Belle Èpoque is, ook als het aan de mode ligt, bijna niets meer over.

Maar gaf men dan vroeger niet toe aan gemakzucht? Had men dan geenszins behoefte aan hetgeen wat wij tegenwoordig als ‘comfortabel’ beschouwen? In de wereld van de sport kunnen we, afleidend uit de onderstaande illustraties van Vanity Fair, zeker een terugkerend thema van tegenwoordig beschouwen.

De bekende ‘Spy Prints’ (zogenaamde cartoons/caracters) die gepubliceerd werden in de Vanity Fair, tussen 1894 en 1914.

 

 

Categorie: 

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie

Reactie