De Japanse mode in het Centraal Museum Utrecht

 
Junya Watanabe, A/W 2000
10 oktober 2016
Fashion Researcher

Het verzamelen van vernieuwende en conceptuele mode is al jaren een belangrijk verzamelbeleid voor het Centraal Museum in Utrecht. Vanaf de jaren ’90 kocht de toenmalige conservator, Jose Teunissen, actief werk aan van de eerste generatie Japanse ontwerpers. Hierdoor is er vrij veel van hun werk te vinden in de mode- en kostuumcollectie van het Centraal Museum. Onder deze eerste generatie behoren de ontwerpers Rei Kawakubo van Comme des Garçons, Issey Miyake en Johji Yamamoto. De groep vormde samen met een groep jonge Japanse ontwerpers de basis voor de expositie Made in Japan [1], die in 2001 door het museum georganiseerd werd.

Tentoonstelling Made in Japan, 2001, Centraal Museum Utrecht
Tentoonstelling Made in Japan, 2001, Centraal Museum Utrecht

De eerste generatie Japanse ontwerpers startte begin jaren ’70 hun carrière in eigen land. Begin jaren ’80 showde ze voor het eerst in Parijs en lieten ze de westerse modewereld op hun grondvesten trillen. Het conceptuele werk met een focus op het experiment in vorm en materiaal stond lijnrecht tegenover de westerse mode van deze tijd. De Parijse modehuizen showde collecties gefocust op commercie met kledingstukken die draaide om glamour, seksualiteit en status. De focus van de Japanse ontwerpers lag op de essentie van het kledingstuk en het zoeken naar de grenzen van smaak. Binnen deze esthetiek werden silhouetten en kledingstukken opnieuw bekeken en gedeconstrueerd tot nieuwe vormen. Een conceptuele benadering die verduidelijkt kan worden door middel van voorbeelden uit de mode- en kostuumcollectie van het Centraal Museum.

De grenzen van smaak

Rei Kawakubo (1942), de vrouw achter Comme des Garçons, staat bekend om haar conceptuele ontwerptehnieken waarin ze de grenzen van het kledingstuk opzoekt.[2] Dit is goed te zien in de zomercollectie van 1997: Body Meets Dress, Dress Meets Body, die in de volksmond ook wel de lumps & bumps collectie genoemd werd. De kledingstukken bevatten op verschillende plekken van het lichaam bulten waardoor het vrouwelijk silhouet optisch vervormd werd. Kawakubo stelde hiermee ter discussie waarom alleen de borsten en billen van het vrouwelijk lichaam als mooi gezien worden en laat zo haar publiek nadenken over onze ideeën over smaak.

Comme des Garçons, S/S 1997
Comme des Garçons, S/S 1997

Comme des Garçons, S/S 1997, Centraal Museum Utrecht
Comme des Garçons, S/S 1997, Centraal Museum Utrecht

Asymmetrie / deconstructie

Veel van het werk van Yohji Yamamoto (Tokyo, 1943) is asymmetrisch in silhouet. Volgens de ontwerper is symmetrie een symbool van perfectie en daardoor niet menselijk.[3] Yamamoto is geïnteresseerd in de mens en onze relatie met het kledingstuk. Zo vindt hij groepsgedrag fascinerend, hoe onderscheiden mensen zich van de massa? Het pak en jasje uit circa 1990 zijn mooie voorbeelden hiervan. Het pak is een typisch westers kledingstuk dat door de maatschappij bijna als uniform gezien kan worden. Echter, door de asymmetrie in het kledingstuk van Yamamoto ontstaat er een bijzonder silhouet.

Yohji Yamamoto, ca. 1990, Centraal Museum Utrecht
Yohji Yamamoto, ca. 1990, Centraal Museum Utrecht

Yohji Yamamoto, ca. 1990, Centraal Museum Utrecht
Yohji Yamamoto, ca. 1990, Centraal Museum Utrecht

Experiment in materiaal

Een ander belangrijk aspect van de Japanse mode is het experiment met materiaal. Issey Miyake staat bekend om zijn ontwerpen waarin hij traditionele technieken combineert met nieuwe technologieën. Zo ontwikkelde hij een techniek om polyester te plisseren waardoor het zelfs nat en in een koffer gepropt mooi geplisseerd blijft. De blouse uit de collectie van het Centraal Museum is een zeer vroeg ontwerp van Miyake met deze techniek en is ontworpen in de experimentele fase die vooraf ging aan de totstandkoming van zijn Pleats Please lijn in 1993.

Issey Miyake, ca. begin jaren ’90, Centraal Museum Utrecht
Issey Miyake, ca. begin jaren ’90, Centraal Museum Utrecht

De tweede generatie

Sinds hun doorbraak aan het begin van de jaren ’80 zijn de Japanse ontwerpers van de eerste generatie nog steeds zeer succesvol. Hun esthetiek die draait om het experiment is nog steeds relevant en opende de deuren voor nieuwe generaties Japanse ontwerpers.   

Junya Watanabe kreeg in 1992 de kans van zijn mentor Rei Kawakubo om zijn eigen label op te zetten onder de vleugels van Comme des Garçons. Voor zijn wintercollectie van 2000, Techno Couture, komen het experiment in vorm en materiaal die zo kenmerkend zijn voor de Japanse mode samen. Zo liet hij zich voor deze collectie inspireren door de molensteenkragen die terug te zien zijn in de schilderijen uit de in de westerse kunstgeschiedenis. Hij experimenteerde met de vormen en vergrote de lagen van de kraag waardoor er een vervreemdend lampion effect ontstond.[4] Doordat hij gebruik maakte van polyester (in plaats van natuurlijk materialen in de tijd van Rembrandt) konden de lagen gemanipuleerd worden en kon hij grote volumineuze vormen creëren.

Junya Watanabe, A/W 2000, Centraal Museum Utrecht
Junya Watanabe, A/W 2000, Centraal Museum Utrecht

Het gerucht gaat dat er volgend jaar in het Metropolitan Museum of Art in New York een overzichttentoonstelling over het werk van Rei Kawakubo geopend zal worden.[5] Mocht dit kloppen is het de uitgelezen kans om nog meer te weten te komen over de Japanse mode.

Gebruikte literatuur:
English, B. A Cultural History of Fashion in the 20th Century. New York: Berg, 2008
Haye, A. de la, Mendes, V. Fashion Since 1900. London: Thames & Hudson, 2010
Teunissen, J. Made in Japan. Utrecht: Centraal Museum, 2001
Teunissen, J., Brand, J. (ed) Global Fashion, Local Tradition: on the globalisation of fashion. Warnsveld: Terra, 2005


Categorie: 

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie

Reactie