Achttiende-eeuwse jakken

7 jan 2016
Judith van Amelsvoort
conservator mode en kostuum Amsterdam Museum

Naast de omvangrijke japonnen die in de achttiende eeuw in de mode waren, was er ook een variatie aan informele kleding. De combinatie van een jak op een rok werd zowel in steden als op het platteland gedragen. De korte jakken werden naar gelang het model en de periode casaquin, caraco, juste, pierrot, coureur of jukaatje genoemd. Deze kledingstukken kenden op hun beurt weer vele varianten, waarvan er hier een paar zullen worden uitgelicht.

In de eerste helft van de achttiende eeuw verschijnen voor het eerst de casaquins: korte jakken die aan de voorzijde getailleerd waren en aan de achterzijde losvallende plooien hadden. Dit waren eigenlijk niet meer dan japonnen die op heuplengte waren afgesneden. Rond het midden van de eeuw neemt de populariteit van de casaquin af, waarna de jakken rond 1760-1770 opnieuw verschijnen onder de naam caraco.

Ze hadden een losse of aansluitende rug. Het enige verschil tussen een caraco à la Française en een caraco à la polonaise was de pli Watteau (losvallende stolpplooien) op de rug. In de tweede helft van de achttiende eeuw werd de caraco, in Nederland ook wel jukaatje genoemd, populair onder de gegoede burgervrouwen.[1]

Het getailleerde jak werd gedragen op een wijde rok. De caraco kon verschillende lengtes hebben. De mouwen waren halflang maar tegen het einde van de achttiende eeuw verschijnen er ook jakken met lange mouwen.  Soms waren jak en rok van dezelfde stof gemaakt, dit kostuum imiteerde dan in feite een japon. In de meeste gevallen waren jak en rok echter gemaakt van verschillende stoffen.

Stoffen

De caraco kon van modieuze stoffen, zoals sits (bedrukt katoen), zijde of damast, zijn gemaakt. Jakken van dit soort deftige stoffen werden niet alleen door rijke vrouwen als huisdracht gedragen maar ook door welgestelde boerinnen op zondag. Jakken en rokken van eenvoudige stoffen, zoals katoen, linnen en wol, werden veel in de volksdracht gedragen. Het was gebruikelijk om hierbij een muts, halsdoek en schort te dragen.

Echter alleen de mooiste jakken van kostbare stoffen zijn in kostuumcollecties bewaard gebleven. Hierdoor kan er een vertekend beeld ontstaan van wat voor soort kleding men in de achttiende eeuw droeg. Werkende vrouwen van het platteland bleven jakken van sits of Europese katoendruk lang doordragen. Ook al waren ze niet meer in de mode, door de praktische eigenschappen zoals wasbaarheid en kleurechtheid bleven ze een geliefd kledingstuk.

Waarschijnlijk werden de meeste streekdracht jakken gemaakt door jakkennaaisters. In Nederland komen er twee soorten jakken voor: het ‘geknipte’ jak dat bestaat uit verschillende patroondelen en het ‘gevouwen’ jak dat uit een rechthoekige lap is gemaakt.  

Juste à la Suzanne   

Dankzij de komedie La Folle Journée ou Le Mariage de Figaro van Caron de Beaumarchais (1732-1799) geniet de combinatie van jak en rok een ongekende populariteit. Het toneelstuk werd door Beaumarchais in 1778 geschreven en in 1781 voor het eerst opgevoerd. In de jaren hierna werd het verboden omdat het ging over een huwelijk beneden stand. Toen Le Mariage de Figaro op 27 april 1784 in het Odeon Theater opnieuw werd opgevoerd was het een groot succes.

De kleding van de hoofdrolspeelster Suzanne, een kamenier van een gravin, zorgde voor een nieuwe naamgeving van het jak. De actrice droeg een wit jakje met schootje op een rok. In de jaren hierna werd het jakje op Franse modeprenten ook wel juste à la Suzanne en juste à la Figaro genoemd. Dat de naam van het toneelstuk ook voor andere kledingstukken werd gebruikt blijkt uit een modeprent uit 1784 in het Gallerie des Modes et Costumes Français (1778-1787), van een zittende vrouw gekleed in een ‘(…) Juste à la Susanne et coëffee en Figaro, (…)’.

Pierrot

Aan het einde van de achttiende eeuw werd het vrouwenjak in Frankrijk ook wel pierrot genoemd. Op 10 april 1788 publiceerde het Franse modetijdschrift Magasin des Modes Nouvelles, Françaises et Anglaises (1786-1789) een modeprent met daarop een vrouw gekleed in een pierrot Hollandois. Op pagina 114 onder het kopje Planche II wordt de pierrot beschreven: ‘Uné Femme vêtue d'un pierrot Hollandois. Ce pierrot est de Pekin bleu, doublé, sur les revers, de Pékin jaune. II est bordé tout autour d'une légère frange d'argent. Deux gros glands d'argent pendent de chaque côté de ce pierrot ; & il est garni de gros boutons d'argent (i) , taillés en dessus en diamans.’[2]                                                                              

Ook de pierrot kent meerdere variaties, zo spreekt men op 30 maart 1788 (3e jaargang, No. 14, p. 106), van een pierrot à la Zèlandoise: ‘La Jeune Personne (…) est vêtue dún pierrot à la Zèlandoise , de Pekin vert, bordé de franges jaune & vertes, à double colet & à revers de Pekin rosé  & à manches de crêpe bleuâtre garnies de manchettes de gaze unie découpée à grandes dents.‘ [3]

Coureur

In het Nederlandse modetijdschrift Kabinet van Mode en Smaak (1791-1794), die zijn modeprenten en informatie kopieerde uit het Franse modetijdschrift Journal de la Mode et du Goût (1790-1793), worden er diverse caraco’s besproken. Waaronder de Caraco à l’Espagnol, Caraco à la Junon en Caraco à la Guimard. Over de Caraco à l’Officiere wordt op pagina 38 gezegd: ‘De taille, het omslag, de kraag of collet, en zakken zijn in een lossen Engelschen smaak, met eene ronde rok. De zelve staat zeer fraai en zindelijk. Men gebruikt haar op het land en te paard’. Naast het model werd dus ook de toepassing besproken. 

De caraco werd in Franse en Nederlandse modetijdschriften ook wel coureur genoemd. Op pagina 42 wordt de heersende mode voor ‘Onze Dames’ en ‘Onze Petit maitres’ uitgebreid besproken: ‘De zoogenaamde Coureurs of Caraco’s van violet satin, en eene zeer smalle taille zijn thans algemeen, waarover men een zwarte bandelier met roode ornamenten draagt, en onder dezelve een wit-satijne rok, van onderen met een breed rood borduursel op een zwarten grond.’

 

Beeldredactie: Anneclaire van Veelen.

 

Literatuur:

J.H. Der Kinderen-Besier, De Kleeding onzer Voorouders: 1700-1900, Amsterdam, p. 52 t/m 76.

François Boucher, Histoire du Costume, Paris, 1965.

Annemarie den Dekker, Rijk gekleed, van doopjurk tot baljapon 1750-1914, Amsterdam 2005.

M.A. Ghering-van Ierlant, Vrouwenmode in Prent, modeprenten 1780-1930, Amsterdam 2007

Jacoba de Jonge, Eigenzinnig in de mode, p. 209 in En Vogue! Mode uit Frankrijk en Nederland in de 18de eeuw, Gemeentemuseum Den Haag, 2005.

Ietse Meij, Haute Couture & Prêt-à-porter; Mode 1750-2000, Gemeentemuseum Den Haag, 1998, pp. 28-29.

Sylvia van Dam Merrett, Geknipt of gevouwen? Jakken van de Walcherse streekdracht, p. 30 t/m 39 in Kostuum 2010, Jaaruitgave van de Nederlandse Vereniging voor Kostuum, Kant, Mode en Streekdracht.

Jacques Ruppert, Le Costume IV - Époques Louis XVI et Directoire, Flammarion, Parijs, 1947, p. 28.

Hanneke J. van Zuthem, Mode en Streekdracht, p . 194 t/m 196 in in En Vogue! Mode uit Frankrijk en Nederland in de 18de eeuw, Gemeentemuseum Den Haag, 2005.

 

 


[1] Zie p. 163 van De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782):‘Moeder had een soort van negligé op, met een root lint, een Jukaatje aan, een wit boezelaartje voor, en was, in ’t geheel, huiselijk.’

[2] Vrije vertaling: ‘Een vrouw gekleed in een pierrot Hollandois. De pierrot is van blauwe zijde Pekin, bij de revers gevoerd met gele zijde Pekin. Hij is afgezet met zilverkleurige franjes. Twee grote zilverkleurige kwasten aan één zijde. Twee rijen van grote zilveren knopen’.

[3] Vrije vertaling: (..) is gekleed in een pierrot à la Zèlandoise gemaakt van groene zijde pekin, afgezet met groene en gele franjes, met dubbele kraag en revers van roze zijde pekin (…).

 

Dit artikel is ook verschenen op het Hart Amsterdam Museum.

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie

Reactie