Geknoopte raffia ministersmuts, waardigheidsteken

De (staatsie)muts was in gebruik bij de Vili en Yombe uit Kongo. Het aanvaarden van een bepaald ambt hield tevens in dat men een muts (mpu) ontving, het symbool van het ambt. De hoofden van provincies, districten, etc., werden door de koning zelf benoemd en ontvingen uit zijn handen de bij het ambt behorende muts. De mutsen worden niet alleen gedragen als symbolen van hoge status maar zijn op zichzelf ook voorwerpen waaraan men eerbied betoont, aangezien zij machtige religieuze voorwerpen zijn. De directe functie van de mutsen is het onderscheid aan te geven tussen het volk en zijn heersers in een hierarchische maatschappij. De basis van de gehoorzaamheid, die het volk betoont aan de hoger geplaatsen, is gelegen in het feit dat men algemeen gelooft dat de mutsen heilige of magische voorwerpen zijn. Hierdoor worden zij die mutsen dragen leiders, door bovennatuurlijke machten bekrachtigd. De koning werd gekozen door een vergadering van oudsten of 'kiezers', uit de adel of uit de zoons van de overleden koning. De koning schrijft men bovennatuurlijke krachten toe, waarvan de voorspoed van het rijk afhankelijk is. De koningen zijn van goddelijke afkomst, ofwel zij regeren overeenkomstig een goddelijk recht. Zij zijn als persoon niet goddelijk, maar wel het ambt. En dit feit wordt tot uitdrukking gebracht door de eer die men betuigt aan de koninklijke waardigheidstekenen, zoals de muts. De muts wordt ook gedragen als bescherming tegen boze krachten en geesten, onder andere bij de Sundi tijdens het drinken van palmwijn. De muts, als waardigheidsteken, ging na de dood van zijn bezitter over naar zijn opvolger. Wanneer een chief was overleden vervaardigde men een beeldje van hem compleet met muts. De muts werd pas aan zijn opvolger overgedragen na de herdenkingsceremonie, ongeveer één jaar na zijn dood (Gibson en McGurk, 1977). De muts vertoont een grote gelijkenis met de door Zdenka Volavka (1981) genoemde muts 'ngola'. De ministers van de Kongo-koningen werden aangesteld en afgezet door het centrale gezag, dat wil zeggen, de koning. Ook de NAM-gegevens omschrijven de muts als een ministersmuts. Dit type muts wordt dus gedragen door gezagsdragers en hogere leden van het centrale gezag. De artistieke vaardigheid van het raffiaweven werd al in het begin van de 16e eeuw door de Portugezen erkend. Dergelijke textielprodukten werden al gauw handelswaar en kregen een plek in de Europese rariteitenkabinetten van de 17e eeuw. Mutsen als onderhavige werden door speciale hoedenmakers gemaakt en werden alleen door leden van het koninklijke hof gedragen. Op straffe van de dood was het de wevers verboden de mutsen aan anderen te verkopen (Clarke, 1998:27). De geweven voorwerpen werden niet alleen gebruikt als kleding, kussens en tassen maar vormden een belangrijk onderdeel van de grafgiften voor belangrijke personen. Vervaardiging De muts is vervaardigd uit raffia, dit zijn vezels van de bladeren van de ananasplant. Gibson en McGurk (1977) vermelden deze bladeren, die van de bananenboom, katoen, gras en baobabbast als de materialen gebruikt bij het vervaardigen van mutsen door de Kongo en Mbundu. De buitenkant van de bladeren wordt verwijderd door ze onder een mes door te halen dat tegen een plank wordt gehouden. Het prepareren van de raffiavezels gebeurt waarschijnlijk op de volgende manier: Men maakt een insnijding aan de basis van de bladsteel, de buitenzijde wordt dan van het blad getrokken in één groot vel, dat lichtgroen van kleur is en doorzichtig wanneer het vers is. Gedroogd in de zon neemt het vel een bruine ondoorzichtige kleur aan. Het vel wordt dan gespleten. Dit kan gebeuren met behulp van een kam, waarvan de tanden bestaan uit strookjes gesneden uit de nerven van het raffiablad. Voordat men tot het knopen overging werden de vezels waarschijnlijk in elkaar gedraaid. De muts wordt opgezet in een spiraalvorm, vanuit het centrum naar de rand werkend. De meeste mutsen van dit type zijn vervaardigd met behulp van één enkele draad, waaraan bij het vorderen van de arbeid ongetwijfeld nieuwe draden werden bevestigd. Nadat men was begonnen met een smalle, centrale ring als startpunt, haalde men het vrije deel van de draad door een deel van de eerder vervaardigde rij. De gebruikte steek bij ieder stadium verschilt van muts tot muts, vaak ook binnen één en dezelfde muts. Alle mutsen zijn vervaardigd door middel van lussen of knopen. De twee meest voorkomende steken, gebruikt bij het vervaadigen van de grote delen van mutsen zijn de 'half twist looping' en de 'one-and-a-half twist looping' (Gibson en McGurk, 1977: 82). Een ander soort steek, vooral voorkomend aan de randen, is de 'lateral looping'. Met betrekking tot een muts van hetzelfde type als dit object vermeldt de literatuur nog het gebruik van de 'slip-knot' en een variatie hierop met smalle open ruimten; de verticale lussen worden in bundels samengenomen in groepen van twee of drie en samengebonden met twee of drie 'overhand knots'. Het aanbrengen van patronen gebeurt door middel van een aantal verschillende technieken. In een aantal Kongo mutsen treft men geometrische motieven aan, bestaande uit 'raised knots' of diagonale lijnen. Dit motief is ook aanwezig op deze muts. De diagonale lijnen worden vervaardigd met behulp van 'simple looping', terwijl een andere steek de achtergrond vormt. De diagonale lijn ligt hoog of laag afhankelijk van het feit of de draai van de lussen (S of Z) die de lijn vormen corresponderen met of tegengesteld zijn aan de richting van de diagonaal. De 'raised knots' zijn variaties op 'simple looping'. Deze muts heeft een patroon van losse en dooreengewerkte zigzaglijnen. De bol van de muts bestaat uit ajourmotief dat vanuit het midden spiraalsgewijs is opgebouwd.

Doe een aanvulling

Vul deze informatie aan of geef een reactie

 
 
Objectnummer
TM-A-11135b
Instelling
Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen
Periode
1850-1885
Beschrijving: 
De (staatsie)muts was in gebruik bij de Vili en Yombe uit Kongo. Het aanvaard...Lees verder
Herkomst
Cabinda (provincie)