Waarom de Nazi de ‘joodse’ japon niet kreeg

 
Japon, 1805-1810, bruikleen 1936/schenking 1984, Centraal Museum (7802). Foto: © Adriaan van Dam.
4 mei 2017
Curator en onderzoeker

Een opmerkelijke ontdekking: deze Empirejapon zou in de Tweede Wereldoorlog eigenlijk naar de Nazi’s gaan. Tijdens het onderzoek voor de aankomende tentoonstelling 'Uit de Mode' in het Centraal Museum dook ik in het archief van het museum en kwam tot een interessante ontdekking. Ik vond een brief uit 1942 waar het ging om ‘joodsche vermogenswaarden’. De brief beschreef enkele collectiestukken die afkomstig waren van joodse bruikleengevers. Deze collectiestukken moesten geleverd worden aan Lipmann, Rosenthal & Co. (Liro), ook wel bekend als de Duitse roofbank.[1] Onder die stukken hoorde de Empirejapon, een bruikleen van een joodse dame. Maar hoe is deze in de collectie gebleven? En waarom?

Emma Gompertz-Jitta

First things first; waar komt de japon vandaan? De bruikleengeefster was E.S.C. Gompertz-Josephus Jitta (Amsterdam 1853 -Utrecht 1941), een dame die een grote bijdrage heeft geleverd aan de emancipatie van zowel vrouwen als de Joodse gemeenschap.[2] Mevrouw Gompertz was op vele fronten actief in het openbare leven. Ze was, onder andere, regentes van de bewaarschool voor Nederlands-Israelitische minvermogenden, presidente van het Damescomité van de Amsterdamse Vereeniging ‘Kindervoeding’ en een van de eerste leden van de Vereeniging van Vrouwenkiesrecht (VVK). In de laatste jaren van haar leven woonde zij in Utrecht, waar zij overleed in 1941.

Emma Gompertz-Jitta, 1913, ©onbekend, Gedenkboek van de Tentoonstelling De Vrouw 1813-1913 [1914] p.12.
Emma Gompertz-Jitta, 1913, ©onbekend, Gedenkboek van de Tentoonstelling De Vrouw 1813-1913 [1914] p.12.

Costuum onzer voorouders

De tentoonstelling 'Costuum onzer Voorouders' (1936) speelt een belangrijke rol in dit verhaal. Deze werd allereerst gehouden in de Ridderzaal in Den Haag.[3] Het vormde een belangrijk hoogtepunt voor de ontwikkeling van kennis van het historische kostuum in Nederland uit de periode 1750-1915. De tentoonstelling was een groot succes en reisde na Den Haag door naar Rotterdam, Amsterdam en Arnhem. Voor de tentoonstelling leende mevrouw Gompertz, onder andere, de Empirejapon uit. Volgens mevrouw Gompertz’s achterkleinzoon, Ernst Verloop, bezat zij namelijk een grote hoeveelheid historische kostuums op zolder.[4] Naar aanleiding van tentoonstelling werden costuumdefilés georganiseerd door jonkvrouw Carla de Jonge, toenmalige modeconservatrice van het Centraal Museum. In dit filmpje zie je een costuumdefilé die gehouden werd tijdens de tentoonstelling. In de show is ook deze japon getoond (zie vanaf 1.04-1.14).

Omdat jonkvrouw De Jonge erg enthousiast was over deze japon, vroeg zij na de tentoonstelling of mevrouw Gompertz het in bruikleen kon afstaan: “Maar ik heb nog een vraag aan u betreffende deze japon, die een bepaalde periode in het Empire zoo duidelyk demonstreert. Zou ik ze in bruikleen mogen hebben voor onze verzameling? Het zou zoo’n groote aanwinst zijn (…)”.[5] Mevrouw Gompertz ging ermee akkoord en de japon kwam te staan in de vitrines in het Centraal Museum.

“Uit de handen der Duitschers te houden”

Vier jaar later brak in Nederland de Tweede Wereldoorlog uit. Tijdens de Duitse bezetting moest een groot gedeelte van de museale collectie verborgen worden.[6] Daarnaast mochten particulieren tegen betaling ook hun collecties en boedels bewaren in de kelders van het Centraal Museum. Dit laatste deed Emma Gompertz nog voordat zij overleed. Het duurde namelijk niet lang totdat de zoektocht naar joodse goederen zou starten. In 1942 moesten particuliere joden en musea objecten van joden schriftelijk aanmelden bij Lipmann, Rosenthal & Co.,(Liro).[7] Deze bank was gelegen aan de Sarphatistraat in Amsterdam. De goederen werden hier verzameld en op later moment geveild aan de Duitsers.[8]

Tijdens deze periode was Carla de Jonge als conservator gepromoveerd tot directrice van het Centraal Museum. In de onderstaande brief gaf Carla de Jonge aan welke museale objecten bezit waren van joden.[9] Ze schrijft over de japon het volgende:

“2. Een empire avondjapon van wit linon met geborduurden rand, omstreeks 1810, bruikleen uit den onverdeelden boedel van wijlen Mevrouw E. S. C. Gomperts-Josephus Jitta, overleden te Utrecht 4 januari 1941, waarvan voor 2/3 erfgename is A.J. Elssbacher-Gompertz te Den Haag en voor 1/3 E. Verloop-Cohen te Utrecht, die zelf Jood is in den zin der verordening, maar gehuwd is met Mr. Verloop, die geen Jood is. Op grond van artikel 11 van de verordening no. 58/142 zou dit derde gedeelte niet onder de verordening der inlevering van Joodsche vermogenswaarden vallen.”

Uitsnede correspondentie archief, 1936.
Uitsnede correspondentie archief, 1936.

De gehele oorlogstijd is er veel correspondentie geweest over het bezit van Emma Gompertz-Jitta dat zich in het Centraal Museum bevond.[10] Jonkvrouw De Jonge streed om de collectie uit Duitse handen te houden. Om de japon te behouden, voerde De Jonge de japon in op de naam van Mevrouw Gompertz’ gelijknamige kleindochter. Emma Verloop-Cohen was namelijk getrouwd met een niet-jood en voor gemengde huwelijken golden andere regels. Onder artikel 10 van de Tweede-Liro vordering moesten alleen waardevolle bezittingen, zoals schilderkunst, beeldhouwwerken en andere kunstvormen van deze gezinnen ingeleverd worden.[11]

De resterende objecten uit de boedel waren een punt waar jarenlang om gestreden werd. In overleg met de erfgenamen zijn een aantal objecten door het museum aangekocht met het oog op deze na de oorlog weer tegen het aankoopbedrag terug te geven. Zo schreef Jonkvrouw De Jonge in augustus 1945: “Ik heb toen in overleg met notaris Snellen uit dezen boedel al de Utrechtse kunst bijeengezocht om dit door aankoop voor het Museum uit de handen der Duitschers te houden. Met notaris Snellen heb ik persoonlyk, als Directrice van het Centraal Museum een afzonderlijke regeling getroffen, buiten medeweten van den toenmaligen Burgemeester, waarbij laatstgenoemde voorwerpen, of een gedeelte daarvan, elk voor de daarachter vermelde som zullen kunnen worden teruggenomen door de wettige erfgename van Mevrouw Emma Sophia Catharina Gompertz-Josephus Jitta (…).” 

Uit erkentelijkheid voor de input en de gevaarlijke positie van De Jonge, heeft Emma Verloop-Cohen de japon geschonken aan het museum. Kleindochter Emma Verloop-Cohen hoefde niet gedeporteerd te worden vanwege haar huwelijk. Andere nabestaanden van Emma Gompertz, onder andere haar schoonzoon en dochter, zijn daarentegen wel gedeporteerd naar concentratiekampen en zijn daar overleden.

Uit de Mode

De japon zal na decennia weer tentoongesteld worden in de tentoonstelling 'Uit de Mode' die te zien zal zijn van 8 juli tot 22 oktober 2017. In deze tentoonstelling zal ingezoomd worden op verschillende persoonlijke en intrigerende verhalen, zoals deze, die nog nooit eerder verteld zijn.

Literatuur

Micheels, P., Een gewone stad in een bijzondere tijd Utrecht 1940-1945 (1995), p.116.
Aalders, G., Roof; de ontvreemding van Joods bezit in de tweede wereldoorlog (1999), p. 171, 201, 211, 221 t/m 223.
H. Adriaans, De verzamelingen van het Centraal Museum Utrecht; Mode en Kostuums, 1996, p.21.
Verslag van de gemeente Utrecht over 1941-1945, p.6.
Correspondentie brieven in Correspondentiearchief Centraal Museum; 1936, 1942: 134 t/m 1945. Zie o.a. nr. 1219 uit 1942.
Interview met achterkleinzoon Emma Gompertz-Jitta, Ernst Verloop op 9 november 2016.
http://www.openbeelden.nl/media/71139
http://www.wilhelminadrucker.nl/nl/emma-gompertz-jitta
https://archief.amsterdam/inventarissen/overzicht/30654.nl.html


[1] Aalders 1999.
[2] http://www.wilhelminadrucker.nl/nl/emma-gompertz-jitta
[3] Adriaans 1996, p.21.
[4]  Op 9 november 2016 heb ik een interview gevoerd met mevrouw Gompertz’s achterkleinzoon, Ernst Verloop. Met dank aan dit interview ben ik veel te weten gekomen over de omstandigheden van familie Gompertz rondom de oorlog. 
[5] Zie archief Centraal Museum in Utrechts Archief (inv. Nr. 843) nr. 29.
[6] Verslag van de gemeente Utrecht over 1941-1945, p.6.
[7] Aalders 1999, p. 201.
[8] Aalders 1999, p. 221 t/m 223.
[9] Zie archief Centraal Museum in Utrechts Archief (inv. Nr. 843) nr. 38.
[10] Zie archief Centraal Museum in Utrechts Archief (inv. Nr. 843) nr. 37 t/m 48.
[11] Aalders 1999, p. 201.

Categorie: 

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie

Reactie