Babyborstrokje van gebreid katoen

Babyborstrokje gebreid van wit katoen, 1716-1725, collectie Fries Museum Leeuwarden.

Dit katoenen hemdje of borstrokje uit 1718 komt uit de luiermand van de adellijke familie Coenders-Harinxma in Friesland. Zij bezaten daarmee een absolute noviteit, want niet alleen katoen, maar ook gebreid katoen was zeer zeldzaam. De introductie van katoen uit India en de latere ontwikkeling van fijne breinaalden brachten samen de uitvinding van tricot teweeg en legden hiermee de basis voor een kledingstuk dat in geen enkele garderobe ontbreekt: het T-shirt.

Bewegingsvrijheid

Katoenen tricot, oftewel ‘gebreid goed’, is niet weg te denken uit de hedendaagse babygarderobe. Het is licht, soepel en geeft veel bewegingsvrijheid. Over comfort en bewegingsvrijheid van baby’s werd vroeger heel anders gedacht. Tot 1900 was het de gewoonte om baby’s in te bakeren. Bij het inbakeren werd de baby stijf ‘in de luiers’ gewikkeld.

Ingebakerde baby in streekdracht uit Huizen, 1945, collectie Nederlands Openluchtmuseum.
Ingebakerde baby in streekdracht uit Huizen, 1945, collectie Nederlands Openluchtmuseum.

Ba­by­bor­sik­kie voor het kind in de ba­ker, 1900-1950, collectie Zuiderzeemuseum.
Ba­by­bor­sik­kie voor het kind in de ba­ker, 1900-1950, collectie Zuiderzeemuseum.

 

De ontwikkeling van tricot

Pas in de 20ste eeuw worden gebreide truitjes een vast onderdeel van babykleding, maar onder een beperkte elite werden zulke babyjakjes al eerder gebruikt. In Engeland heeft Ruth Gilbert -handwever, spinner en breister- onderzoek gedaan naar twintig vergelijkbare babyjakjes of hemdjes in diverse museale en privécollecties, vooral in Engeland. Dit aan de hand van een babyjakje in de collectie van het Knitting and Crochet Guild (KCG 1998/25/6).

Volgens het Museum of London, dat een identiek jakje heeft (A21989c), zou dat afkomstig zijn van een verwant van Catharina Bragança, die in 1662 trouwde met de Engelse koning Karel II. Het V&A heeft een jakje dat volgens overlevering geweest is van Karel II zelf (T.30-1932). De andere musea houden een ruime datering aan, meest 18de eeuw of eerste helft 18de eeuw. Het opmerkelijke van al deze jakjes is de overeenkomst in constructie en decoratie.

 

Dergelijke katoenen hemdjes werden in Engeland met de hand gebreid met fijne dunne katoen uit India. Vermoedelijk zijn ze in Gloucester gemaakt, sinds de 17de eeuw een centrum voor het vervaardigen van ijzer- en staaldraad en bijvoorbeeld spelden. Alle jakjes zijn met de hand van onder naar boven in het rond gebreid. Vanaf het armsgat is het breiwerk gesplitst, bij de oksel zijn steken voor het armsgat blijven staan en voor- en achterpand zijn afzonderlijk verder gebreid. Voor de ronde hals zijn steken geminderd en op de schouder zijn de panden afgekant. Langs het armsgat zijn steken opgenomen voor de mouwen die samen met de steken bij de oksel in het rond zijn gebreid tot de pols. Later zijn de jakjes aan de voor- of achterkant opengeknipt en met linnen band afgewerkt.

Langs de zomen, middenvoor en middenachter en aan de voor- en achterkant van de mouwen is een rand met achtpuntige sterren in averecht. Het tricot is zo fijn dat het eruit ziet als machinaal breiwerk. Er bestond immers al een breimachine (uitgevonden door William Lee in 1589), maar die kon niet rondbreien, alleen vlak. Waarschijnlijk was het dunne, losgesponnen katoen te kwetsbaar voor de machine en met de hand is de draadspanning goed te beheersen.

Vrouw met ingebakerde baby in streekdracht uit Huizen, 1945, collectie Nederlands Openluchtmuseum.
Vrouw met ingebakerde baby in streekdracht uit Huizen, 1945, collectie Nederlands Openluchtmuseum.

Revolutionaire techniek

Na de uitvinding van de spinmachines in Engeland, zoals de ‘spinning mule’ (1779) is het katoenen garen sterk genoeg om ook machinaal te verwerken. De wit katoenen babyjakjes en ook het enige volwassen jak in het V&A (T.61-1939) zijn onderkleding of huiskleding. Wit katoenen breiwerk (tricot) schopte het pas tot bovenkleding in de 20ste eeuw.

'Het T-shirt' verkrijgt een iconische status als acteurs als James Dean deze dragen op het witte doek. Het van oorsprong Amerikaanse ondergoed krijgt een plek in de mode en is nu helemaal niet meer ongebruikelijk als bovenkleding. Hetzelfde geldt eigenlijk ook voor de trui, die in de 19de eeuw door vissers in de Schotse wateren als werkkleding wordt gedragen. Dat zagen Nederlandse vissers ook wel zitten en namen de truien mee.

Aangezien de breitechniek ook in Nederland voldoende beheerst werd, waren de Schotse truien uit verschillende regio's de voorbeelden voor de diverse visserstruien die in Nederland ‘traditioneel’ zijn geworden. De eerste vermelding van ‘trui’ in Nederland is overigens te vinden in de Nederlandsche Staatscourant van 8 juni 1815, waarin melding gemaakt wordt van 12 ‘paar’ IJslandse truien, die samen met 419 paar kousen, 242 paar wanten en 6 paar sokken in Den Briel en Vlissingen door de douane zijn ‘aangehaald’, waarover nog invoerrechten betaald moesten worden.

Babyborstrokje gebreid van wit katoen, 1716-1725, collectie Fries Museum Leeuwarden.
Babyborstrokje gebreid van wit katoen, 1716-1725, collectie Fries Museum Leeuwarden.

 

[email protected]Innovation

Van 18 mei tot en met 2 september zijn twee katoenen babyborstrokjes te zien: één uit ca. 1718 en één uit de 20ste eeuw in een 'visserstruipatroon', in de tentoonstelling [email protected]Innovation. Voor de tentoonstelling selecteerden 15 musea en 4 verzamelaars innovaties uit de modegeschiedenis.

Klik hier voor alle verhalen over innovatie uit de tentoonstelling, of bekijk de aankomende Meet Ups en Masterclasses in de agenda.
 

Meer lezen over tricot en bewegingsvrijheid

Birthe Weijkamp, ‘Kinderkleren: net zoals papa en mama’ op Modemuze.

Gieneke Arnolli, ‘Themapagina Breien’ op Modemuze.

 

Bronnen

Doe een aanvulling

Vul deze informatie aan of geef een reactie

1
 
Auteur
Conservator mode en textiel Fries Museum Leeuwarden
Datum
18 mei 2018