Een hoed uit bevrijd Parijs

Tijdens en de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog waren materialen zoals wol en zijde extreem schaars. Men kon alleen kleren kopen met textielbonnen, waarvan slechts een beperkt aantal werden uitgegeven. In Nederland waren de voorraden tegen het einde van de oorlog dusdanig uitgeput dat men zelfs met de bonnen lang niet altijd iets kon krijgen. Vrouwen die een hoed wilden kopen moesten daarvoor soms enkele oude exemplaren inleveren. Wanneer men geld te besteden had en vrij was om te reizen kon men voor de laatste mode vaak nog wel terecht in Parijs.

Het Parijse modebeeld tijdens de Tweede Wereldoorlog

In de Franse hoofdstad was de situatie anders. Tijdens de oorlog draaide de mode-industrie in deze stad gewoon door. Ook Parijse ontwerpers hadden te kampen met schaarse materialen en limitaties opgelegd door de Duitse bezetter. Toch kwamen veel modehuizen ieder seizoen met een nieuwe collectie. Het Parijse modebeeld wijkt gedurende de oorlogsjaren af van dat van de rest van de wereld. Onderdeel hiervan was dat de hoeden in de loop van de oorlog een steeds (letterlijk) grotere rol begonnen te spelen. Aan het begin van de oorlog waren kleine hoedjes nog in de mode. Vanaf ongeveer 1942 begon de omvang van de hoeden echter toe te nemen en tegen het einde van de oorlog schrokken de bevrijders zich letterlijk een hoedje: de Parijse vrouwen droegen hun haar en hun hoeden in allerlei hoge creaties, die meestal verstevigd werden met bonvrije materialen zoals stro en karton.

Legroux Soeurs, Hoed van vilt versierd met een bosfazant, door mevrouw Brusse gekocht in Parijs, ca. 1945. Rijksmuseum Amsterdam

Kleine hoedjes na de bevrijding 

Na de bevrijding kon een reactie hierop niet uitblijven en werden de hoedjes kleiner. Dit gebeurde niet van de ene op de andere dag en in de jaren na de oorlog werden nog veel grote modellen gemaakt. Daarnaast maakten kleine dopjes die dicht aansloten op de schedel hun opgang. Deze modellen pasten bij de kapsels, die korter en minder volumineus werden. Een vroeg voorbeeld hiervan is een groen hoedje gemaakt door de bekende Parijse modistes Legroux Soeurs (zusters Legroux). Dit hoedje is door mevrouw Brusse-Urtebise zelf in Parijs gekocht. Dit zal zij niet lang na de bevrijding hebben gedaan. Hetzelfde hoedje staat namelijk op de voorkant van het Franse modetijdschrift Claudine van 10 oktober 1945. Het verschil tussen het exemplaar van mevrouw Brusse en de hoed op de foto is dat de bosfazant, waarmee de hoed is versierd, precies andersom is geplaatst. Omdat hoeden bij de betere modistes ook op maat werden gemaakt is het goed mogelijk dat de fazant op verzoek van een klant gespiegeld werd. In het tijdschrift wordt ook de nieuwe mode voor kleine hoeden aangehaald (vrij vertaald):

"De hoeden voor de herfst zijn verschenen…. zij verassen ons! Ze zijn klein…zo klein dat ze soms nog niet af lijken…Wij zoeken de rest…."

Hoedjes etiquette

In haar etiquetteboek Hoe hoort het eigenlijk uit 1939 schrijft Amy Groskamp-Ten Have dat hoeden met veren en voiles ’s middags gedragen horen te worden, passend bij geklede japonnetjes en mantelpakken. Voor de ochtend zijn sportieve mantelpakken in combinatie met simpele hoedjes geschikter. Deze hoed zou volgens Groskamp-Ten Have dus geschikt zijn voor de middag. Op de voorkant van het modetijdschrift wordt de hoed echter gedragen met een jasje van tweed, een materiaal dat eerder ’s ochtends werd gedragen. De combinatie is echter niet onlogisch. Door de groene kleur en de fazant (een vogel waarop veel wordt gejaagd) doet de hoed denken aan een jagershoedje. Voor de jacht werden wel sportieve mantelpakken van tweed gedragen. De vraag blijft hoe mevrouw Brusse haar Parijse hoedje combineerde. 

Pasfoto van Mevrouw Brusse uit de oorlogsjaren. Haar kapsel, met krullen opgestoken midden op het hoofd was in die tijd in de mode., particulier bezit.

Doe een aanvulling

Vul deze informatie aan of geef een reactie

2
 
Auteur
Wetenschappelijk medewerker kostuum Rijksmuseum
Datum
14 maart 2015